Nol Frishert is afgelopen week het erelidmaatschap van het Klokkenluiders Gilde Breda (KGB) toegekend. FOTO ADDO SPRANGERS
Nol Frishert is afgelopen week het erelidmaatschap van het Klokkenluiders Gilde Breda (KGB) toegekend. FOTO ADDO SPRANGERS (Foto: Addo Sprangers)

Nol Frishert is erelid van Klokkenluiders Gilde Breda: 'Ik vind het prachtig om het verhaal van de Grote Toren te vertellen'

BREDA - De 86-jarige Nol Frishert is niet alleen het oudste lid van het Klokkenluiders Gilde Breda (KGB), sinds afgelopen woensdag mag hij zich ook erelid van het Bredase gezelschap noemen. En dat is bijzonder, want hij is het tweede erelid ooit. 


Een unicum, want eerder werd het erelidmaatschap alleen postuum toegekend aan voormalig stadsbeiaardier Jacques Maassen. In een - vanwege het coronavirus - klein gezelschap van collega-klokkenluiders en op veilige afstand reikte loco-burgemeester Boaz Adank de bij het erelidmaatschap behorende oorkonde uit aan Frishert.

Bevlogen

Als bevlogen KGB'er weerhoudt ook het coronavirus hem er niet van om te gaan luiden, zo bleek uit het woordje van Adank. Nol Frishert, in 2020 'toevallig' vijftien jaar lid van de KGB, is al jaren de sleutelhouder van de Grote Toren van Breda. Als er bij gelegenheden ook bezoek in de Toren komt, kan hij als geen ander verhalen over vertellen in de zogeheten trommelkamer. Frishert is daarbij zeker ook extra geïnspireerd door het feit dat hijzelf een rechtstreekse nazaat is van een van de laatste twee Bredase torenwachters. In 1895 verviel na ruim 400 jaar die functie. De toen 50-jarige Frans Frishert, zijn overgrootvader, kreeg toen op 1 april eervol ontslag met wachtgeld.

Voetsporen

Nol Frishert vertelt het altijd graag: "Als klokkenluider ben ik dus een beetje in zijn voetsporen getreden. Die goede man moest regelmatig de toren beklimmen om naar zijn werk te gaan, ik doe het voor mijn plezier om de 3.600 kilo wegende Nassauklok te mogen luiden. Ik vind het ook prachtig om bezoekers in de trommelkamer - de vroegere torenwachtersruimte - het verhaal over de Grote Toren te vertellen. Natuurlijk komt dan ook mijn overgrootvader aan bod om het verhaal een beetje smeuïg te maken. Ik wijs dan altijd naar zijn foto. 'Daar staat-ie', zeg ik dan. 'En aan mijn flaporen kunnen jullie wel zien dat ik familie van hem ben'. Da's schitterend om te doen."

FOTOSERIES