Peter van de Kerkhof

Vent in de kebabtent

  Column

Helden en schurken zijn uit hetzelfde hout gesneden. Sinds ik dat besef, bekijk ik helden met enige argwaan en schurken met enig mededogen. Wat ik nu vertel heb ik niet zelf verzonnen, ik las het laatst. Blijkbaar zijn de eigenschappen die ervoor zorgen dat iemand tot een heldendaad komt, dezelfde als die iemand tot een ondeugd doen leiden.


De laatste keer dat ik een held ben genoemd was op een zaterdagnacht na het stappen. Ik betaalde een broodje kebab aan een hongerige vriend; hij was zijn ‘dönercodicil’ vergeten, zoals we dat noemen. Gelukkig had ik een reserve bij me en wapperde triomfantelijk met twee briefjes van 5 euro.

In de kebabzaak was het druk, maar een kalme drukte, eentje van gelatenheid. Het felle tl-licht deed pijn aan mijn ogen. Ik dacht aan mijn bed en dat ik thuis niet moest vergeten mijn tanden te poetsen.

Vanuit de periferie wurmde een man zich door de rij. Hij rook naar deodorant en duwde mensen weg alsof ze op voedselhulp stonden te wachten en het ieder voor zich was. Men vroeg hem of hij weer achteraan wilde sluiten, maar dat was hij geenszins van plan. ‘Wat willen jullie tegen mij beginnen? Ik ga zo mijn broodje eten en jullie kunnen toekijken.’
Honger doet rare dingen met mensen en zijn honger moest er wel een van een roofdierachtig kaliber zijn. De gelatenheid maakte plaats voor gemor, maar ook niet meer dan dat. Niemand wilde nog ruzie op dit late uur. We waren schaapjes voor deze wolf.

Ik was al bijna aan het knikkebollen toen er een broodje zijn richting op werd gehouden. Zijn aandacht was volledig bij het grijpen van het eten en in een helder moment zag ik mijn kans schoon. Met mijn hand bewoog ik tussen de mensen door en opende een knoopje van zijn blouse, zijn vlezige buik onthullend. Hij was afgeleid en liet het broodje even voor wat het was,  met wilde halen begon hij om zich heen te slaan. Alsof hij zijn verworven status moest beschermen. Nog voor hij schade had aangericht was hij al op straat gezet. Ik keek nog even naar het raam waar hij tegenaan bonkte. Zijn blik nog leger dan zijn maag, zijn blouse half open.

De zaak leek opeens groter en ik voelde handen op mijn schouders. Ik werd gefêteerd en kreeg een kus op mijn wang van een meisje. Als er bloemen waren had ik ze ongetwijfeld gekregen. Het werd een broodje kebab.

Steven van den Heuvel