Meten is weten en
inlevingsvermogen

We leven in een tijd waarin alles gemeten wordt. Op zich goed, want bijvoorbeeld voor weerkundige waarnemingen is niets belangrijker dan nauwkeurig en overal op dezelfde manier waarnemingen meten. Dan kun je het beste de weerstoestand op verschillende meetstations met elkaar vergelijken. Om klimaatveranderingen en hun oorzaken te verklaren zijn nauwkeurige metingen eigenlijk ook uiterst belangrijk. Het gevaar van metingen en computers is dat het gevoel en het inlevingsvermogen naar de achtergrond verdwijnen. Prestatiegerichtheid. Het spontane verdwijnt. Maar dat is niet het onderdeel van meten is weten waar ik hierop wil ingaan.


Sinds 1901 zijn er officiële waarnemingen die goed vergelijkbaar zijn. Die standaard wordt nog steeds hoger. Vanaf 1706 zijn er instrumentele waarnemingen, maar die zijn niet altijd betrouwbaar of even goed. Voor 1706 wordt het nog lastiger, dan moeten we af gaan op wat iemand opschreef en hoe hij of zij dat ervaarde. Dat maakt klimaatonderzoek toch wel tot een lastig, maar uitdagend onderzoek. Een nachtvorst heeft voor ons tegenwoordig amper impact. We stappen ’s ochtends uit bed in ons goed geïsoleerde huizen die aangenaam verwarmd zijn. We gaan naar het werk met de auto, waaraan we hooguit de ruiten moet krabben. Mensen met meer geld hebben zelfs ruit- en stoelverwarming en gaan als een Keizer(in) naar hun dagelijkse werk. We hebben hooguit last van even een paar minuten een koude gure wind. De mensen in de middeleeuwen leefden in vaak nog houten woningen en de kleding was ook niet van de isolerende kwaliteit als nu.


Bovendien was er veel minder verstedelijking als nu. Dus als het een keer een nachtje vroor had dat veel meer impact dan nu. Dat zie je dan ook terug in de omschrijvingen van het toenmalige weer. Dus om te begrijpen hoe de Kleine IJstijd en het Klimaatoptimum in de middeleeuwen werkelijk verliepen moeten we ons verplaatsen in de middeleeuwse mens. En daar komt nog bovenop het onderzoek hoe betrouwbaar is je bron.[n]