
NAC is een club van de stad, van supporters, van emoties, van verhalen. We spreken met algemeen directeur Remco Oversier over leiderschap in de topsport, rust houden in een roerige omgeving, transparantie, ambities en wat dit werk hem persoonlijk brengt.
NAC is een club van de hele stad. Wanneer voelde jij voor het eerst: ja, dit is écht bijzonder?
“Eigenlijk nog voordat ik officieel in functie was. Ik heb iets van 24 een-op-één gesprekken gevoerd omdat ik de club volledig wilde leren kennen. Maar één van de momenten die echt indruk maakte, was tijdens de play-offs voor promotie. Dat was de wedstrijd tegen FC Emmen. Toen heb ik een helft op vak G gestaan en een helft op de B-Side. Ik wilde de club voelen. En dat was wel het moment dat ik dacht: na vanavond wordt nee zeggen wel heel moeilijk.”
Waarom wilde je zóveel gesprekken voeren voordat je een beslissing nam?
“Ik wilde één zekerheid hebben: past deze club bij mij? Ik weet uit ervaring dat als de cultuur van de stad en de club niet bij je past, je er niet aan moet beginnen. Mensen zeggen vaak dat NAC een roerige club is. Dat klopt ook wel, maar het is niet altijd ín de club. Er gebeurt vooral veel rondom de club. Als je dat inzicht hebt, valt het best mee. Zeker omdat de governance nu gewoon goed op orde is.”
En waar zit jouw speelruimte als directeur binnen deze governance?
“Samen met de andere directeuren zijn we verantwoordelijk voor de volledige bedrijfsvoering. Statutair ben ik als enige bevoegd, titulair met de andere drie. Maar uiteindelijk maken we alle keuzes samen, met draagvlak in de hele governance, dus directie, RVC en STAK. Ik heb altijd één credo: je moet elkaar niet verrassen. Juist bij NAC waar het rondom de club roerig kan zijn, moet je zorgen dat je geen verrassende dingen doet. Dus veel uitleggen, verduidelijken, vertellen waarom je iets doet. Dan wordt besluitvorming soms bijna saai en dat is eigenlijk heel goed.
Transparantie is belangrijk. Dat is ook iets wat ik eerder heb geleerd. Toen ik 29 was, werd ik algemeen directeur bij RKC. In die tijd ging de club sportief ten onder, degradeerde en was financieel eigenlijk zo goed als failliet. Ik heb daar geleerd dat je zulke ‘dossiers’ maar op één manier oplost: samen. Dan moeten mensen weten wat je doet.”
Je communiceert onder andere via updates en zelfs een podcast. Waarom doe je dat?
“We hebben intern een werkdocument: NAC 2030. In alles wat we doen, komt dit terug. Dus we nemen mensen mee in dat verhaal, soms heel bewust en soms wat subtieler. Of het nou de burgemeester is, een supporter, een sponsor, een medewerker of een vrijwilliger: iedereen krijgt in de basis hetzelfde verhaal te horen, maar op een manier die bij die groep past. En zoveel mogelijk via één persoon, ikzelf. Dat geeft rust en duidelijkheid.”
Maar transparantie kent ook grenzen. Je kunt niet alles delen.
“Dat klopt, maar je kunt vaak wel de kaders delen. Je neemt besluiten op basis van een aantal zaken, en die zaken kun je gewoon uitleggen. Neem bijvoorbeeld de ontwikkeling van het stadion. Er waren meerdere opties. Je gaat niet alle opties uitvoeren, maar je kunt wel uitleggen wat je onderzoekt, waar je naar kijkt, wat je uiteindelijk kiest en waarom. Dat kan volgens mij prima samengaan met zorgvuldige besluitvorming. Dat zorgt dat supporters en sponsoren het grotere plaatje zien, niet alleen de uitslag van afgelopen weekend. Want uiteindelijk zijn wij nog steeds een club die kan degraderen. Dat is gewoon de realiteit. Maar dat betekent niet dat we niet richting 2030 kunnen bouwen aan een stabiele eredivisieclub. Je moet alleen het grotere plan blijven uitdragen.”
NAC kan nog degraderen. Hoe voorkom je dat zo’n sfeer van spanning of negativiteit intern gaat knagen?
“Dat is een hele belangrijke vraag. Want in de topsport zuig je die emoties op. Daar ontkom je bijna niet aan. Medewerkers bij NAC werken met enorme passie voor deze club. Vaak ook nog voor minder geld dan in het bedrijfsleven. Dat zegt veel over hun drijfveer. Dus ja, het doet die mensen wat als het tegenzit. Daarom hebben we structureel momenten waarop we met het hele personeel samenkomen en dan heb je het echt over iedereen: spelers, staf, kantoor, jeugdopleiding. Wij noemen dat intern het rondje NAC. Dan houden we elkaar op de hoogte van wat er speelt. Daarnaast geldt ook daar: continu vertellen waar we mee bezig zijn. Mensen hebben ook inbreng gehad in de doelen en in de plannen. Dan gaat het niet alleen over winnen en verliezen, maar ook over ontwikkeling, projecten, toekomst. Dat helpt.”
Veel supporters vragen zich af: hoe kan een club als NAC toch steeds weer in financiële problemen komen?
“Als je een stabiele eredivisieclub wilt worden, moet je niet alleen investeren in het voetbal, maar ook in je infrastructuur. De crux bij voetbalclubs is vaak dat heel veel geld naar de core business gaat: voetbal. Alleen daar gaat niet altijd alles volgens plan. Dus moet je parallel investeren in zaken die je structureel sterker maken en financieel doen groeien. Daarom zijn dossiers als het stadion, de ontwikkeling van tribunes, het veld, verduurzaming en de toekomst van je trainingscomplex zo belangrijk.”
Was dat jouw eerste prioriteit toen je bij NAC binnenkwam?
“Ja, absoluut. Want dit zijn de grootste stappen die je kunt zetten om structureel sterker te worden. We zijn nog nooit door de grens van 20 miljoen omzet gegaan en nu wel. Dit jaar komen we waarschijnlijk uit op ongeveer 22 miljoen. En daarmee stopt het niet. Als je blijft investeren in je stadion en je infrastructuur, blijven je inkomsten groeien. Deze club heeft de potentie om door te groeien naar 25 tot 30 miljoen omzet. Dan praat je over een stabiele middenmoter in de Eredivisie. Zolang je daar nog niet bent, blijf je een beetje tussen Eerste Divisie en Eredivisie in hangen. Daarom moet je blijven bouwen, ook los van sportieve resultaten.”
Als je terugkijkt op de afgelopen anderhalf jaar bij NAC: wat heeft het jou persoonlijk gebracht?
"Geluk. Ik heb hiervoor zes jaar fantastisch gewerkt als CEO bij een zaakwaarnemerskantoor, SEG. Ik heb daar in de absolute top mogen werken, in meerdere sporten, over de hele wereld. Maar als je bij een voetbalclub werkt, ben je toch een beetje een junk. Het is verslavend.”
Waar zit die verslaving in?
"In alles waar we het net over hadden: de emotie, het winnen en verliezen, de media, de supporters, de impact op een stad. De minst leuke dag voor mij is vaak de wedstrijddag, omdat je zó hoopt dat het goed gaat. Maar juist dat maakt het ook het mooiste. Dat is een verslaving. In de jaren dat ik weg was uit het clubvoetbal, begon ik dat te missen. Ik was een soort afgekickt, maar nooit helemaal. En dit is een verslaving waar ik niet van af wil. Ik was op zoek naar een club waar ik enorme stappen kon zetten, waar ik me als mens in de cultuur en in de stad prettig voelde, en waar grote uitdagingen lagen. Want dat vind ik het leukste. Het speelniveau maakte me eerlijk gezegd minder uit. Geld ook niet zo. Het ging mij om die combinatie van uitdaging, cultuur en potentie. En dat heb ik hier allemaal gevonden.”
Heb je nog persoonlijke ambities hierna?
“Op dit moment eigenlijk niet. Natuurlijk wordt er weleens aan je getrokken, dat hoort in deze wereld. Maar ik merk aan mezelf dat ik pas ga nadenken als je ergens vijf, zes jaar zit en veel uitdagingen hebt aangepakt. Tot die tijd denk ik daar eigenlijk helemaal niet over na. En bij deze club liggen er nog zoveel uitdagingen; daar ben ik voorlopig wel mee bezig. Haha, dat is het mooie aan NAC: die zijn er genoeg. Het plafond van deze club is heel hoog. Wij zijn nu vooral bezig om het fundament goed te leggen. Maar daarna zit er ook echt een mooi plafond in. 2030 lijkt ver weg, maar tegelijk: voor je het weet ben je er.”
De slotvraag die we iedereen stellen: met wie zou jij zelf eens aan de keukentafel willen zitten?
“Met mezelf over vijftig jaar. Ik kies dat, omdat ik in mijn werk al heel veel inspirerende mensen ontmoet. Dat is echt een voorrecht. Maar ik ben vooral nieuwsgierig naar wie ik ben als ik 93 ben en terugkijk. Wat heb ik goed gedaan? Wat heb ik laten liggen? Daar ben ik wel benieuwd naar.”
Wat zou die Remco van 93 tegen de Remco van nu zeggen?
“Ik denk: af en toe een beetje het voet van het gaspedaal. Gas geven was voor deze club tot nu toe vaak pure noodzaak. De dossiers die we hebben opgelost moesten ook echt opgelost worden. Anders hadden we nu niet miljoenen extra ruimte gehad, maar miljoenen moeten bezuinigen. Maar mijn valkuil is wel dat ik soms te snel wil. Af en toe iets minder hard is misschien ook goed.”
En dan wordt vijf of zes jaar misschien wel tien?
“Wie weet. Dat zou zomaar kunnen. Maar je moet in het leven ook niet te veel vooruitkijken. Eerst maar gewoon de volgende stap goed zetten.”
TEKST DOOR LUUK ROOZEBOOM
