Afbeelding
Foto: Perry Roovers fotografie

Jan B. (67) zestien jaar de cel in voor het wurgen van zijn vrouw

Algemeen

BREDA - De 67-jarige Bredanaar Jan B. die in 2021 zijn vrouw Ingrid dusdanig mishandelde dat zij twee dagen later in het ziekenhuis aan het verwondingen overleed, moet zestien jaar de cel in. Die straf heeft de rechtbank vandaag opgelegd. Deze straf is hoger dan de 14 jaar die het OM eerder eiste. 

Op zondagavond 13 juni 2021 werd de 65-jarige Ingrid zwaargewond aangetroffen in haar woning aan de Grimmingestraat, nadat haar man, Jan B., haar flink had toegetakeld. Ter plaatse werd direct door de politie gestart met reanimatie. Deze reanimatie werd uiteindelijk overgenomen door verpleegkundigen van de ambulancedienst en de traumahelikopter. Toen Ingrid naar het ziekenhuis werd gebracht had ze nog ademhaling. Maar twee dagen later overleed ze aan haar verwondingen. 

Vandaag deed de rechter uitspraak in deze zaak. Tijdens de zaak werd duidelijk dat het twintigjarige huwelijk van Jan en Ingrid al jaren niet meer goed liep, waarbij de omgeving van met name Ingrid zag hoe verdachte zijn vrouw isoleerde van haar familie en vrienden. Al eerder werd Jan B. veroordeeld voor geweld tegen zijn vrouw. Op 15 februari 2020 sloeg hij namelijk, onder invloed van een grote hoeveelheid alcohol, onder andere een paar tanden uit Ingrid’s mond. “Hij heeft toen zelf de politie gebeld met de mededeling dat hij zijn vrouw ging vermoorden”, aldus de rechtbank. “Dat is toen niet gebeurd, hoewel hij ook daarna nog tegen een goede vriend heeft gezegd dat hij dat wel had moeten doen.”

Volgens de rechtbank wist Jan B. wat voor uitwerkingen grote hoeveelheden alcohol op hem konden hebben. “Dat heeft hem er niet van weerhouden om op 13 juni 2021 tijdens een bezoek aan het buurthuis weer veel alcohol te drinken, waarna een opmerking van Ingrid het excuus vormde om deze keer wel de daad bij het woord te voegen”, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank heeft Ingrid nog proberen te vluchten, maar was de verdachte sterker en hield haar tegen. “Ook nadat hij haar de slaapkamer in had gewerkt, op bed had gekregen, boven op haar was gaan zitten en haar keel begon dicht te knijpen, heeft Ingrid zich hevig verzet. De rechtbank kan niet anders concluderen dan dat zij binnen haar mogelijkheden minutenlang een strijd op leven en dood heeft gevoerd, die zij helaas heeft verloren. Zij moet tijdens die doodsstrijd ongekende angst hebben ervaren, zeker op het moment dat zij zich ging realiseren dat zij die strijd zou verliezen.”

Toen Jan B. dacht dat zijn vrouw was overleden, stopte hij met het dichtdrukken van de keel. Ingrid overleed uiteindelijk twee dagen later in het ziekenhuis aan haar verwondingen. “Verdachte heeft haar het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen”, aldus de rechtbank. “Hij heeft zijn vrouw vermoord onder de ogen van geschokte getuigen, die de rest van hun leven die beelden met zich zullen meedragen en zich zullen afvragen wat zij meer of anders hadden kunnen doen.” 

De zoon, broer en schoonzus van Ingrid hebben op zitting in hun slachtofferverklaringen aangrijpend onder woorden gebracht welke gevolgen haar gewelddadige dood voor hen heeft gehad. De zoon van Ingrid vertelde dat zijn moeder een zachtaardige vrouw was die niemand kwaad deed, maar door het wangedrag van verdachte veel vrienden en kennissen verloor. Hij had zijn moeder de laatste jaren niet meer zien lachen, behalve als ze haar kleinkinderen zag. “Kleinkinderen op wie ze niet kon passen en die niet bij haar konden logeren vanwege het onberekenbare gedrag van verdachte.”

Ook de broer en schoonzus van Ingrid hebben verteld over de sociale isolement waarin zij door toedoen van verdachte terecht was gekomen. Jan B. had tot het laatste moment de kans om zich te herpakken, maar heeft dat niet gedaan. Zij vragen zich af wat er door zijn heen moet zijn gegaan toen verdachte haar keel dichtkneep en zij zich niet kon verdedigen. 

Uitspraak 
De rechtbank constateert dat Jan tot op de dag van de zitting geen enkel teken van spijt of wroeging heeft getoond. “Daarnaast heeft verdachte twee jaar lang geen inzicht getoond in de ernst van zijn handelen en heeft hij geen echte verantwoordelijkheid genomen voor de moord op zijn vrouw”, aldus de rechtbank. “Op zitting is hij niet verder gekomen dan in zijn laatste woord te zeggen dat hij betreurt wat er toen is gebeurd: het had nooit mogen gebeuren met deze afloop en daarvoor biedt hij zijn verontschuldiging aan voor de nabestaanden. Een oprechte spijtbetuiging vanuit het nemen van verantwoordelijkheid hoort de rechtbank daar niet in.”

De nabestaanden hebben in hun slachtofferverklaringen erop gewezen dat verdachte manipulatief is en dat zij bang zijn dat verdachte zijn straf gaat ontlopen. Ook de rechtbank heeft gemerkt dat verdachte manipulatief is en dat hij tot op het laatste moment onder zijn verantwoordelijkheid probeerde uit te komen. Tot en met de zitting heeft hij volgehouden dat het incident van 13 juni 2021 een zwart gat voor hem is. De rechtbank heeft eerder in dit vonnis al overwogen dat zij die verklaring niet gelooft. Verdachte heeft vervolgens op zitting geprobeerd de rechtbank en de drie aanwezige deskundigen alsnog op het verkeerde been te zetten door plotseling te verklaren dat hij op de dag van de moord een verhoogde dosis paroxetine zou hebben ingenomen. Uit het voorgeleidingsconsult blijkt echter dat de dosis paroxetine drie weken vóór de moord is verhoogd en dat verdachte deze verhoogde dosis maar twee dagen heeft geslikt. Ook bij zowel de politie als de rapporterende psychiater en psycholoog heeft hij hierover eerder met geen woord gerept. De rechtbank kan zijn verklaring op zitting dan ook niet anders zien dan als een ultieme poging om onder zijn verantwoordelijkheid uit te komen.

Net als de officier van justitie en de raadsman neemt de rechtbank het advies uit de rapportages van psychiater en psycholoog over. “Zij hebben hun conclusies op zitting helder toegelicht. Bij verdachte is sprake van een persoonlijkheidsstoornis met dwangmatige, narcistische en borderline kenmerken. Deze stoornis was ook aanwezig ten tijde van het bewezenverklaarde dat daarom in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen is”, aldus de rechtbank. Anders dan de raadsman ziet de rechtbank de 67-jarige leeftijd van verdachte niet als een strafverminderende omstandigheid. 

“Vanwege de ernst van het feit en de straffen die hiervoor in soortgelijke zaken worden opgelegd, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige en onvoorwaardelijke gevangenisstraf”, aldus de rechtbank. “Rekening houdend met de verminderde toerekenbaarheid ziet de rechtbank in de meedogenloosheid waarmee verdachte heeft gehandeld en in zijn houding tot en met de zitting reden om een hogere gevangenisstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van zestien jaar met aftrek van het voorarrest passend en geboden.”